Waarom groepen niet vanzelf betere besluiten nemen

Over informatie, beïnvloeding en de patronen die meebeslissen in teams

In organisaties nemen we veel besluiten in groepen. Teams overleggen, projectgroepen wegen opties af, managementteams zoeken richting, commissies beoordelen scenario’s. Daaronder ligt vaak een stille aanname: als meerdere mensen samen nadenken, wordt het besluit vanzelf beter. Meer perspectieven, meer kennis, meer afweging — dus ook meer kwaliteit. Juist die vanzelfsprekendheid verdient tegenspraak. Groepen nemen niet automatisch betere besluiten. Sterker nog: groepen kunnen heel systematisch in patronen terechtkomen die de kwaliteit van besluiten eerder verzwakken dan versterken.  Dat maakt besluitvorming in groepen zo interessant. Want een besluit ontstaat nooit alleen uit inhoud. Een besluit ontstaat ook uit de manier waarop informatie wordt gedeeld, hoe ideeën ruimte krijgen, hoe snel consensus aantrekkelijk wordt en welke groepskrachten kritisch denken begrenzen. Wie beter wil begrijpen waarom groepen soms verrassend middelmatige of zelfs ronduit zwakke besluiten nemen, moet dus niet alleen naar de inhoud van het besluit kijken, maar ook naar het groepsproces dat eraan voorafgaat.

Informatie delen is moeilijker dan het lijkt

(1) Een van de meest onderschatte patronen in groepsbesluiten is dat groepen lang niet altijd de informatie uitwisselen die er werkelijk toe doet. Wat iedereen al weet, krijgt in discussies meestal meer aandacht dan de informatie die slechts één persoon bezit. Met andere woorden: gedeelde informatie weegt zwaarder dan unieke informatie. Dat is problematisch, omdat juist die unieke kennis het verschil kan maken tussen een redelijk besluit en het beste besluit.

In de literatuur staat dit bekend als het hidden profile-probleem: groepen hebben gezamenlijk voldoende informatie om tot een betere keuze te komen, maar benutten die informatie niet omdat het gesprek blijft hangen in wat al gemeenschappelijk bekend is.

Dat gebeurt niet alleen in laboratoriumonderzoek, maar ook in de praktijk van teams. Mensen brengen unieke informatie minder snel in wanneer zij aanvoelen dat die informatie ingaat tegen de eerste consensus. Als de unieke informatie afwijkt van de dominante richting of mogelijk spanning oproept. Bovendien krijgt informatie die door meerdere mensen bevestigd wordt vanzelf meer gewicht. De ironie is dus dat groepen méér kennis bij elkaar kunnen brengen, maar die kennis lang niet altijd gebruiken op een manier die de besluitkwaliteit verhoogt. Juist daardoor kan een groep met meer mensen tóch een slechter besluit nemen dan nodig is.

Daarmee wordt meteen zichtbaar waarom van mening verschillen soms zo belangrijk is. Onderzoek laat zien dat het bestaan van afwijkende voorkeuren vóór de discussie de besluitkwaliteit juist kan verhogen, omdat het de intensiteit van de discussie vergroot en de kans vergroot dat unieke informatie op tafel komt. Niet omdat afwijking gezellig is, maar omdat afwijking het groepsgesprek uit de automatische bevestiging haalt.

Brainstormen is niet vanzelf creatiever

(2) Een tweede hardnekkige misvatting is dat groepen vanzelf creatiever worden zodra zij samen ideeën gaan genereren. Brainstormen heeft in organisaties bijna een mythische status gekregen: zet mensen bij elkaar, maak ruimte, laat gedachten stromen en de creativiteit volgt. Toch blijkt dat interactieve brainstormgroepen vaak minder ideeën produceren dan mensen die eerst individueel nadenken en hun ideeën daarna bundelen. Dat heeft verschillende oorzaken. Mensen worden in groepen terughoudender uit angst om beoordeeld te worden. Anderen liften mee op de inbreng van de groep, wat aansluit bij social loafing. En misschien nog belangrijker: de ideeën van anderen kunnen de eigen gedachtelijn blokkeren. Terwijl iemand luistert naar wat een ander inbrengt, wordt de actieve zoektocht in het eigen geheugen verstoord.

Social loafing

Het verschijnsel dat mensen in een groep minder inspanning leveren dan wanneer zij individueel verantwoordelijk zijn.

Hoe minder zichtbaar de persoonlijke bijdrage,

hoe groter de kans dat eigenaarschap verdwijnt.

Dat laatste mechanisme — production blocking en cognitieve verstoring — is bijzonder relevant voor kenniswerk. Creatieve denktaken verlopen zelden lineair. Ze vragen een soort innerlijk gedachtetreintje: kennis activeren, combineren, vervormen, opnieuw verbinden. Zodra de aandacht steeds verschuift naar andermans ideeën, kan dat proces onderbroken raken. Dat betekent niet dat samen denken nooit werkt, maar wel dat de volgorde ertoe doet.

Juist daarom is brainwriting zo’n sterk alternatief: eerst in stilte ideeën opschrijven, daarna pas uitwisselen en verrijken. Daarmee blijft de kracht van individueel denken behouden, terwijl de groep vervolgens alsnog waarde kan toevoegen. Voor organisaties is dat een belangrijke les. Niet iedere creatieve sessie heeft méér gesprek nodig. Soms heeft een groep betere ideeën nodig vóórdat het gesprek begint.

Groepen schuiven zelden naar het midden

(3) Een derde patroon dat veel groepsbesluiten kleurt, is groepspolarisatie. We zijn geneigd te denken dat groepsgesprekken gemiddeld genomen naar het midden bewegen: dat uiteenlopende meningen elkaar dempen en dat besluitvorming daardoor gematigder wordt. In werkelijkheid gebeurt vaak iets anders. Groepen schuiven in hun besluitvorming juist naar een extremer standpunt, in de richting waar zij vooraf al licht naartoe neigden. Een groep die al wat risicobereid is, wordt risicovoller. Een groep die van tevoren al voorzichtig is, wordt juist nog voorzichtiger. De groep versterkt wat er al aanwezig was.

Daar liggen meerdere processen onder. Aan de ene kant speelt sociale vergelijking een rol: wanneer er geen objectieve standaard beschikbaar is, kijken mensen naar anderen om hun eigen oordeel te ijken. In een groep ontstaat dan gemakkelijk de neiging om zich te positioneren als een goed, betrokken of loyaal groepslid — net iets meer in de richting die al sociaal wenselijk lijkt. Aan de andere kant spelen inhoudelijke argumenten mee. Wanneer tijdens een discussie vooral argumenten circuleren die de bestaande groepsrichting ondersteunen, wordt die richting vanzelf overtuigender. Het resultaat is niet verdeeldheid, maar juist versterking van de eerste neiging.

In een tijd van filterbubbels en het false-consensus-effect wordt dit alleen maar relevanter. Als mensen vooral blootgesteld worden aan informatie en opvattingen die in hun eigen kring al dominant zijn, lijkt het des te vanzelfsprekender dat hun standpunt normaal, redelijk of breed gedeeld is. Groepsgesprekken corrigeren dat dan niet altijd — soms radicaliseren ze het juist.

False-consensus-effect

De neiging om te denken dat anderen onze mening,

voorkeur of manier van kijken méér delen dan werkelijk het geval is.

Wanneer consensus belangrijker wordt dan kwaliteit

(4) Het vierde en misschien bekendste patroon is groepsdenken. Daarvan is sprake wanneer het streven naar consensus sterker wordt dan het streven naar een rationeel en kritisch besluit. Groepsleden willen er dan vooral samen uitkomen. Afwijkende geluiden worden niet actief onderzocht, maar eerder genegeerd of subtiel weggedrukt. Informatie die niet strookt met de voorkeursrichting van de groep krijgt minder aandacht. Alternatieven worden onvoldoende serieus verkend. En mensen met bedenkingen houden hun mond omdat zij geen dwarsligger willen zijn of geen oponthoud willen veroorzaken.

Juist dat maakt groepsdenken zo verraderlijk. Groepsdenken voelt van binnen vaak niet als slecht denken. Het voelt als betrokkenheid, voortgang en eensgezindheid. Precies daarom kan het zo gemakkelijk onopgemerkt blijven. De groep denkt: we zijn eruit, dus het zal wel een goed besluit zijn. Maar overeenstemming is geen bewijs van kwaliteit. Het kan net zo goed een teken zijn dat het kritische vermogen van de groep is afgenomen

Belangrijk is ook dat groepsdenken niet willekeurig ontstaat. Er zijn omstandigheden die het risico duidelijk vergroten. Denk aan de volgende vijf versterkende omstandigheden:

Die combinatie is herkenbaar in veel organisatiesituaties. Een hecht team dat onder druk snel moet beslissen, met een leider die richting geeft en zonder stevige procedure om afwijkende perspectieven in te brengen, heeft een verhoogde kans om consensus boven kwaliteit te plaatsen. Juist daarom is groepscohesie niet alleen iets positiefs. Eerder zagen we al dat cohesie verbondenheid en loyaliteit kan versterken. Hier zie je de schaduwkant: cohesie kan ook kritisch tegenspel ondermijnen wanneer erbij horen belangrijker wordt dan het besluit zelf.

Goede groepsbesluiten vragen ontwerp

Als groepen zo gevoelig zijn voor deze patronen, is de vraag natuurlijk: wat helpt dan wél? Het antwoord begint met een ongemakkelijke werkelijkheid: goede groepsbesluiten ontstaan niet vanzelf uit goede bedoelingen. Ze vragen ontwerp. Niet alleen inhoudelijke voorbereiding, maar ook bewust ingerichte besluitvorming.

Hierbij een set praktische interventies (Vonk, 2017):

Deze interventies zijn geen losse tips, maar raken de kern van het probleem. Ze vertragen de neiging naar snelle overeenstemming, geven unieke informatie meer kans, maken expertise explicieter en helpen de groep om zichzelf niet te vroeg wijs te maken dat ze “er al uit zijn”. Ze zetten inhoudelijke kwaliteit weer op de eerste plaats.

Daar komen nog aanvullende beschermende maatregelen bij, zeker tegen groepsdenken:

Dat laatste is bijzonder waardevol: naar huis gaan met de opdracht om er nog eens goed over na te denken, met anderen te spreken en daarna terug te komen. Alsof de groep zichzelf toestemming geeft om niet te snel tevreden te zijn met haar eerste consensus.

De morele laag van besluitvorming

Misschien is de meest interessante toevoeging wel dat groepsleden hun eigen gedrag kunnen toetsen aan drie gewetensvragen:

Deze drie vragen maken iets belangrijks zichtbaar: groepsbesluiten zijn niet alleen cognitief, maar ook moreel. Het gaat niet alleen om informatie en procedure, maar ook om moed, verantwoordelijkheid en de bereidheid om verschil in te brengen wanneer dat nodig is. Dit sluit aan op de voorgaande blogs over Groepsgedrag. Wie erbij wil horen, houdt zich sneller stil. Wie de norm voelt, past zich gemakkelijker aan. Wie sterke cohesie ervaart, wil eerder de harmonie bewaren. En wie besluitvorming niet bewust ontwerpt, loopt het risico dat al die sociale krachten zich ongemerkt tegen de kwaliteit van het besluit keren.

Dus kort samengevat

Groepsbesluiten zijn dus veel minder neutraal dan ze lijken.Niet omdat groepen irrationeel zijn, maar omdat groepen sociaal zijn.

Ze delen selectief informatie.
Ze blokkeren soms precies de ideeën die ze nodig hebben.
Ze versterken hun eerste neiging. En ze verwarren consensus soms met kwaliteit

Dat betekent niet dat groepen slechte besluiten nemen per definitie. Wel dat goede groepsbesluiten iets vragen: ontwerp, vertraging, tegenspraak, informatie-discipline en leiderschap dat niet alleen richting geeft, maar het denken van de groep ook beschermt tegen zichzelf.

De wezenlijke vraag is dan ook niet alleen: komen we eruit?
De wezenlijke vraag is: hebben we het besluit beter gemaakt door samen na te denken?

Gebruikte bronnen:

Vonk, R. (Red.). (2017). Sociale psychologie (4e herziene druk). Boom

Download de bijbehorende korte infographic over Groepsgedrag: Van patroon naar interventie (Blog 5 van 7)

Als Organisatie BIO_loog faciliteer ik deze organisatieontwikkeling door betekenis te geven aan patronen en daarop te interveniëren. Organisatieontwikkeling zie ik als een continu proces van leren en ontwikkelen, quick wins op korte termijn en borging op langere termijn. Waarbij de organisatie de eigenaar van het proces is en blijft.

Werken aan ontwikkeling vanuit:

  • Het holistische perspectief, waarbij ik denk vanuit de vraag in plaats van het antwoord
  • Het systemische perspectief, waarbij de aandacht verschuift van object naar relatie
  • Het organische perspectief dat recht doet aan de natuurlijke (organisatie)patronen.

Werken aan ontwikkeling op basis van de volgende zeven processen:

  1. Besluitvorming zoals planningsprocessen en onderhandelen
  2. Cohesievorming, zoals netwerken en cultuur; betekenisgeven aan identiteit
  3. Innovatie, zoals creatie en productontwikkeling
  4. Navigatie, zoals onderzoek, visie, strategie; ambitie op collectief niveau
  5. Persoonlijke ontwikkeling, zoals leiderschap en ontplooiing; gekenmerkt door introspectie en drieslagsleren
  6. Professionalisering, zoals opleidingen en inhoudelijke ontwikkeling, waarbij de ‘inhoud’ sturend is
  7. Samenwerking, zoals conflicthantering, fusie en externe gerichtheid, komen tot werkbare functionele relaties.

 

[Bron] Ruijters, M. en Veldkamp, I. (2012) DRIE vormgeven aan organisatieontwikkeling (p.73-75)

Geen enkele verandering kan gezien worden als een proces met een kop- en een staart. Dat maakt dat ik ook liever spreek van een organisatieontwikkeling, daar klinkt het cyclische continue in door. Bij het vormgeven aan organisatieontwikkeling gaat het om de volgende 8 regels:

  1. De balans vinden tussen organisatie en de mens IN de organisatie
  2. Het verbinden van werelden, daar waar gewerkt wordt, en daar waar de interventie plaats vindt
  3. Componeren met taal en vorm, taal doet er toe en visualiseren kan daar krachtig aan bijdragen
  4. Het respecteren van de menselijke maat, waarbij het gaat om waarmaken van de ambitie op basis van haalbaarheid, omvang, duur, werk- en tijdsdruk
  5. Het koesteren van de overvloed, kijken naar wat er is en behouden wat goed gaat. De wens om te komen kan ontstaan vanuit het perspectief van schaarste, de veranderbeweging voelt meer voor het koesteren van het perspectief van overvloed
  6. Zorgdragen voor duurzaamheid, met het oog op ‘vandaag’ concreet veranderen en voor ogen houden hoe de verandering ook ‘morgen’ meerwaarde heeft en bijdraagt aan de organisatieontwikkeling
  7. Het benutten van intuïtie en rationaliteit, waarbij het niet gaat om ‘maakbaarheid’ maar om het optimaal benutten van beide aspecten die leiden tot transparantie en herleidbare keuzes.

Vijf slaagfactoren voor verandering bieden houvast voor een effectief veranderproces:

De huidige complexiteit van verandervraagstukken vragen om een integrale manier van werken. Integraal in de zin van het verbinden van de verschillende disciplines – psychologie, bedrijfskunde, organisatiekunde – die in samenhang bijdragen aan het realiseren van doelen. Het effectief veranderen zit ook in het systematisch en methodisch te werk gaan; navolgbaar en in onderbouwde volgordelijkheid.

Aan de basis van een dergelijk organisatieontwikkeltraject ligt het VeranderKrachtModel (Ten Have, Ten Have & Van der Eng, 2011) welke de vijf essentiële slaagfactoren beschrijven:

  • Rationale, welke gaat over de beweegredenen voor de verandering
  • Effect, wat is het beoogde/mogelijke effect van de verandering voor verschillende betrokkenen op korte en lange termijn?
  • Focus, hoe en in welke mate moeten en kunnen gedragskaders, omstandigheden of stimulus condities vormgegeven worden om de verandering samen te realiseren?
  • Energie, hoe en in welke mate moeten en kunnen inspiratie, kennis en vaardigheden, commitment en middelen op een zodanig niveau gebracht worden dat men de verandering kan én wil realiseren?
  • Verbinding, hoe en in welke mate kunnen verbinding in en sturing van het veranderproces vorm krijgen, rekening houdend met de status van de andere vier slaagfactoren

 

[Bron] Otto; Grinwis; Huijsman (2014) Veranderkracht als vliegwiel voor organisatieverandering.pdf