Waarom teams niet vanzelf beter presteren

Over spanning, zichtbaarheid en motivatie in groepsverband

In organisaties is teamwerk bijna vanzelfsprekend geworden. We organiseren werk in teams, vormen projectgroepen, zetten multidisciplinaire samenwerkingen op en verwachten dat dit leidt tot betere resultaten. Daaronder ligt vaak een logische maar te simpele aanname: als je goede mensen bij elkaar zet, stijgt de prestatie vanzelf. In de praktijk blijkt dat minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Teamwerk vergroot niet automatisch de kwaliteit van het werk. De aanwezigheid van anderen verandert namelijk hoe mensen presteren — soms positief, soms negatief.  

Dat is precies waarom groepsgedrag zo relevant is voor organisaties. Prestaties worden niet alleen bepaald door talent, inzet of expertise van individuen, maar ook door de sociale context waarin dat talent tot uiting moet komen. Wie deel uitmaakt van een team, werkt nooit alleen aan de taak. Diegene werkt óók in aanwezigheid van anderen, onder invloed van zichtbaarheid, verwachtingen, vergelijking, afleiding en gedeelde verantwoordelijkheid. En die factoren doen meer met prestaties dan vaak wordt onderkend 

De aanwezigheid van anderen helpt niet altijd

Een van de meest intrigerende inzichten uit de sociale psychologie is dat alleen de aanwezigheid van anderen al invloed heeft op prestaties. Soms helpt dat. Bij eenvoudige, bekende of goed geoefende taken gaan mensen in aanwezigheid van anderen vaak sneller of beter functioneren. Alsof de sociale omgeving iets activeert. Maar bij moeilijke, nieuwe of complexe taken gebeurt juist vaak het tegenovergestelde: dan nemen spanning en prestatieverlies toe. De groep vergroot dan niet de kwaliteit van het handelen, maar de kans op verstoring.  

 

Voor organisaties is dat een belangrijk onderscheid. Niet iedere taak profiteert van dezelfde mate van gezamenlijkheid. Routinewerk, bekende uitvoeringsprocessen of taken waarbij snelheid en alertheid helpen, kunnen baat hebben bij samenwerking of zichtbaarheid. Maar werk dat concentratie, nuance, creativiteit of denkruimte vraagt, kan juist lijden onder dezelfde sociale context. De reflex om mensen altijd samen te zetten, meer te laten afstemmen of voortdurend in elkaars nabijheid te laten werken, is dus niet automatisch bevorderlijk voor kwaliteit.  

Waarom groepsaanwezigheid spanning oproept

Dat de aanwezigheid van anderen zo’n effect heeft, is op verschillende manieren te begrijpen. De eerste laag is bijna biologisch: alertheid op andere mensen is een instinctieve reactie. De omgeving wordt socialer, en daarmee ook betekenisvoller. Daarnaast speelt mee dat mensen zich in aanwezigheid van anderen sneller beoordeeld voelen. Zelfs wanneer er niemand expliciet iets zegt, is de mogelijkheid van evaluatie al genoeg om spanning op te roepen. En ten slotte verdeelt aanwezigheid van anderen de aandacht. Een deel van de focus gaat naar de taak, een ander deel naar wat anderen doen, denken of mogelijk vinden. Juist die verdeelde aandacht kan prestaties beïnvloeden.  

 

Dat maakt moderne werkomgevingen interessant. In open kantoorruimtes, hybride vergaderingen, projectruimtes en intensieve overleggen zijn mensen voortdurend zichtbaar voor elkaar. Dat kan betrokkenheid en afstemming versterken, maar óók de mentale belasting vergroten. Zeker bij ingewikkeld werk is het goed mogelijk dat niet de inhoud van de taak, maar de sociale setting daaromheen de doorslag geeft in hoe goed mensen functioneren. 

Niet iedereen reageert hetzelfde op de groep

Daar komt nog iets bij: dezelfde groepscontext werkt niet voor iedereen op dezelfde manier. Sommige mensen floreren in aanwezigheid van anderen. Zij worden scherper, alerter of energieker zodra er publiek, collega’s of medespelers in de buurt zijn. Anderen raken juist eerder gespannen, geremd of afgeleid. Zelfvertrouwen, zelfwaardering en persoonlijkheidsverschillen spelen daarin een rol. Het gaat dus niet alleen om objectieve bekwaamheid, maar ook om de subjectieve ervaring: of iemand zichzelf voldoende toegerust voelt om in het zicht van anderen te presteren 

 

Dat maakt het problematisch wanneer organisaties prestaties uitsluitend lezen als individuele competentie. Als iemand in een teamoverleg minder scherp is dan in een 1-op-1 gesprek, zegt dat niet automatisch iets over de inhoudelijke kwaliteit. Het kan ook iets zeggen over wat de groep met die persoon doet. Wil je prestaties in teams begrijpen, moet je dus niet alleen naar mensen kijken, maar altijd ook naar de sociale setting waarin zij moeten functioneren. 

Samenwerken leidt niet vanzelfzwijgend tot meer inzet

Naast spanning en aandacht speelt nog een tweede mechanisme een grote rol in teamprestaties: motivatie. Ook daar is de intuïtie vaak misleidend. Veel mensen gaan ervan uit dat gezamenlijke verantwoordelijkheid automatisch leidt tot grotere inzet. Maar in groepen kan juist het tegenovergestelde ontstaan. Naarmate de groep groter wordt en individuele bijdragen minder zichtbaar zijn, neemt bij sommige mensen de neiging toe om minder hard te lopen. Niet per se uit onwil, maar omdat hun eigen aandeel minder opvalt en minder bepalend voelt voor het eindresultaat.  

 

Daar zitten verschillende dynamieken onder. Soms liften mensen mee op de inspanningen van anderen, het zogeheten free-rider-effect. Soms treedt juist een ander mechanisme op: mensen haken af omdat ze willen voorkomen dat zij als enigen blijven trekken terwijl anderen achteroverleunen, het sucker-effect. Dat laatste is in organisaties vaak minstens zo ontwrichtend. Niet zozeer het gebrek aan inzet van één persoon, maar het besmettingsgevaar ervan. Zodra mensen het gevoel krijgen dat verantwoordelijkheid ongelijk verdeeld is, verschuift de energie van gezamenlijke prestatie naar onderlinge afweging: wie doet wat, wie laat het lopen, en waarom zou ik nog extra inzetten?

Zichtbaarheid maakt verschil

Of die teruglopende inzet optreedt, hangt sterk af van de manier waarop het werk is georganiseerd. Vooral bij taken waarin de groepsprestatie een optelsom is van losse bijdragen, vervaagt de zichtbaarheid van het individu. Dan wordt het moeilijker om nog goed te zien wie echt bijdraagt en wie minder. Precies daar neemt het risico op motivatieverlies toe. Zodra individuele prestaties zichtbaar en herkenbaar zijn, wordt dat effect aanzienlijk kleiner.  

 

Dat raakt direct aan de praktijk van teams in organisaties. Veel samenwerking wordt ingericht rond gezamenlijkheid, maar zonder dat helder is hoe individuele bijdragen zichtbaar blijven. Het gevolg is dat mensen wel samen aan tafel zitten, maar onvoldoende ervaren dat hun eigen aandeel ertoe doet. En als dat gevoel afneemt, daalt niet alleen de inspanning, maar vaak ook het eigenaarschap. Dan wordt samenwerken een vorm van verspreide verantwoordelijkheid in plaats van gedeelde verantwoordelijkheid. Dat wordt sociaal luieren genoemd (Derksen, 2021). Bij teams groter dan 10 groepsleden kan dit effect sneller optreden.  

Goed teamwerk begint niet bij teamgevoel, maar bij ontwerp

Een ander inzicht uit het werk van Karin Derksen laat zien dat Goed Teamwerk naast meer verbinding (tussen 3 tot 10 personen), ook vraagt om goede condities. Een team kan pas echt meerwaarde hebben wanneer er een heldere gedeelde opgave is en teamleden daadwerkelijk van elkaar afhankelijk zijn om die opgave te realiseren. Zonder die noodzaak tot samenwerken voelt teamwerk al snel als extra belasting. Dan kost overleg meer dan het oplevert en wordt samen optrekken eerder een organisatorisch ritueel dan een functionele keuze.  

 

Dat maakt een belangrijke ontwerpvraag zichtbaar. Niet al het werk hoeft in teamvorm georganiseerd te worden. En niet iedere groep professionals is automatisch een team. Wanneer mensen in essentie zelfstandig werk doen met slechts af en toe afstemming, is het zinvol om kritisch te kijken of de teamvorm wel daadwerkelijk helpt. Anders gezegd: als de opgave geen echte onderlinge afhankelijkheid vraagt, is het risico groot dat teamwerk vooral afleiding, vertraging en motivatieverlies introduceert.  

De kwaliteit van een team zit ook in het benutten van expertise

Een goed functionerend team is dus niet simpelweg een verzameling capabele individuen. Het gaat er ook om of het team weet hoe expertise verdeeld is en hoe die benut moet worden. Sterke teams hebben vaak een gedeeld beeld van wie wat weet, wie waarop vertrouwd kan worden en hoe verschillende bijdragen goed op elkaar aansluiten. Juist bij complexe of onderling afhankelijke taken is dat onderscheidend. Dan gaat het niet meer alleen om individuele kwaliteit, maar om de som der delen.  

Dat maakt de stap van individueel presteren naar collectief presteren wezenlijk anders dan veel organisaties veronderstellen.  

  • Meer talent in één ruimte is nog geen sterk team.  
  • Meer overleg is nog geen betere coördinatie.  
  • En meer gezamenlijkheid is nog geen hogere motivatie.  

Wat nodig is, is een samenwerking die zo is ingericht dat mensen elkaar werkelijk versterken in plaats van elkaar vooral beïnvloeden.

Wat dit vraagt van leiders en organisatieprofessionals

Voor leiders en teamcoaches verschuift daarmee ook de kernvraag. Niet alleen: hebben we de juiste mensen? Maar ook: maakt deze groepscontext goed presteren waarschijnlijker?  

Dat vraagt om andere observaties.  

  • Hoe complex is de taak eigenlijk?  
  • Hoeveel zichtbaarheid helpt, en hoeveel verstoort?  
  • Is de individuele bijdrage herkenbaar?  
  • Is de onderlinge afhankelijkheid echt, of vooral verondersteld?  
  • En ervaren mensen dat de groep hun inspanning versterkt — of juist verdunt?  

 

Wie groepsgedrag serieus neemt, kijkt daarom niet alleen naar samenwerking als waarde op zichzelf. Dan komt iets anders centraal te staan: de condities waaronder samenwerken wérkt. Soms vraagt dat om meer gezamenlijke afstemming. Soms juist om helderder onderscheid, meer individuele focus of een andere taakverdeling. Goed teamwerk gaat dan niet over “meer samen”, maar over “passender samen”.  

Samengevat

De prestaties van mensen in groepen zijn nooit alleen individueel. De groepscontext werkt voortdurend mee — via spanning, zichtbaarheid, afleiding, vergelijking, verantwoordelijkheid en onderlinge afhankelijkheid. Dat kan het beste in mensen naar boven halen, maar ook precies dat ondermijnen. Daarom is het te simpel om te zeggen dat teams beter presteren dan individuen. Soms is dat zo. Soms ook niet. Het verschil zit zelden alleen in de mensen, maar vaak in hoe het team en het werk zijn ingericht.  

 

De beslissende vraag is dus niet: werken deze mensen samen? 
De beslissende vraag is: maakt deze manier van samenwerken beter presteren waarschijnlijker?  

Download de bijbehorende korte infographic over groepsgedrag: de functies van de groep (blog 3 van 7)

Gebruikte bronnen: 

Derksen, K. (2021). Goed teamwerk: Hoe teams beter kunnen presteren en floreren. Boom. 

Vonk, R. (Red.). (2017). Sociale psychologie (4e herziene druk). Boom 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Als Organisatie BIO_loog faciliteer ik deze organisatieontwikkeling door betekenis te geven aan patronen en daarop te interveniëren. Organisatieontwikkeling zie ik als een continu proces van leren en ontwikkelen, quick wins op korte termijn en borging op langere termijn. Waarbij de organisatie de eigenaar van het proces is en blijft.

Werken aan ontwikkeling vanuit:

  • Het holistische perspectief, waarbij ik denk vanuit de vraag in plaats van het antwoord
  • Het systemische perspectief, waarbij de aandacht verschuift van object naar relatie
  • Het organische perspectief dat recht doet aan de natuurlijke (organisatie)patronen.

Werken aan ontwikkeling op basis van de volgende zeven processen:

  1. Besluitvorming zoals planningsprocessen en onderhandelen
  2. Cohesievorming, zoals netwerken en cultuur; betekenisgeven aan identiteit
  3. Innovatie, zoals creatie en productontwikkeling
  4. Navigatie, zoals onderzoek, visie, strategie; ambitie op collectief niveau
  5. Persoonlijke ontwikkeling, zoals leiderschap en ontplooiing; gekenmerkt door introspectie en drieslagsleren
  6. Professionalisering, zoals opleidingen en inhoudelijke ontwikkeling, waarbij de ‘inhoud’ sturend is
  7. Samenwerking, zoals conflicthantering, fusie en externe gerichtheid, komen tot werkbare functionele relaties.

 

[Bron] Ruijters, M. en Veldkamp, I. (2012) DRIE vormgeven aan organisatieontwikkeling (p.73-75)

Geen enkele verandering kan gezien worden als een proces met een kop- en een staart. Dat maakt dat ik ook liever spreek van een organisatieontwikkeling, daar klinkt het cyclische continue in door. Bij het vormgeven aan organisatieontwikkeling gaat het om de volgende 8 regels:

  1. De balans vinden tussen organisatie en de mens IN de organisatie
  2. Het verbinden van werelden, daar waar gewerkt wordt, en daar waar de interventie plaats vindt
  3. Componeren met taal en vorm, taal doet er toe en visualiseren kan daar krachtig aan bijdragen
  4. Het respecteren van de menselijke maat, waarbij het gaat om waarmaken van de ambitie op basis van haalbaarheid, omvang, duur, werk- en tijdsdruk
  5. Het koesteren van de overvloed, kijken naar wat er is en behouden wat goed gaat. De wens om te komen kan ontstaan vanuit het perspectief van schaarste, de veranderbeweging voelt meer voor het koesteren van het perspectief van overvloed
  6. Zorgdragen voor duurzaamheid, met het oog op ‘vandaag’ concreet veranderen en voor ogen houden hoe de verandering ook ‘morgen’ meerwaarde heeft en bijdraagt aan de organisatieontwikkeling
  7. Het benutten van intuïtie en rationaliteit, waarbij het niet gaat om ‘maakbaarheid’ maar om het optimaal benutten van beide aspecten die leiden tot transparantie en herleidbare keuzes.

Vijf slaagfactoren voor verandering bieden houvast voor een effectief veranderproces:

De huidige complexiteit van verandervraagstukken vragen om een integrale manier van werken. Integraal in de zin van het verbinden van de verschillende disciplines – psychologie, bedrijfskunde, organisatiekunde – die in samenhang bijdragen aan het realiseren van doelen. Het effectief veranderen zit ook in het systematisch en methodisch te werk gaan; navolgbaar en in onderbouwde volgordelijkheid.

Aan de basis van een dergelijk organisatieontwikkeltraject ligt het VeranderKrachtModel (Ten Have, Ten Have & Van der Eng, 2011) welke de vijf essentiële slaagfactoren beschrijven:

  • Rationale, welke gaat over de beweegredenen voor de verandering
  • Effect, wat is het beoogde/mogelijke effect van de verandering voor verschillende betrokkenen op korte en lange termijn?
  • Focus, hoe en in welke mate moeten en kunnen gedragskaders, omstandigheden of stimulus condities vormgegeven worden om de verandering samen te realiseren?
  • Energie, hoe en in welke mate moeten en kunnen inspiratie, kennis en vaardigheden, commitment en middelen op een zodanig niveau gebracht worden dat men de verandering kan én wil realiseren?
  • Verbinding, hoe en in welke mate kunnen verbinding in en sturing van het veranderproces vorm krijgen, rekening houdend met de status van de andere vier slaagfactoren

 

[Bron] Otto; Grinwis; Huijsman (2014) Veranderkracht als vliegwiel voor organisatieverandering.pdf